De Berner Sennenhond
Rasgroep: Dogachtigen
Aard: Aanhankelijk en trouw
Gemiddelde levensduur: 8 tot 12 jaar
Schouderhoogte: Reu: 64-70 cm Teef: 58-66 cm
Gewicht: Reu: 50-60 kilo Teef: 40-50 kilo
Vacht: Lang, diepzwart met wit en tan
Aanleg: Gezelschaphond, herdershond, waak- en verdedigingshond
Omgang met kinderen: Uitstekend
Leefruimte: Een huis met een tuin
Vachtverzorging: Regelmatig borstelen
Boerenkomaf
Zwitserland is de bakermat van de Berner Sennenhond. Honden van een stevig type
werden daar naar alle waarschijnlijkheid al rond de Middeleeuwen gehouden. Dieren
die in hetzelfde gebied ongeveer hetzelfde werk deden, leken vaak wel op elkaar,
maar van echte rassen, zoals we die tegenwoordig kennen, was tot een paar honderd
jaar geleden nog geen sprake.
Driekleurige aftekeningen die zo typerend zijn voor de huidige Sennenhonden kwamen in die tijd al wel veel voor in Zwitserland, maar daarnaast werden ook veel zwartwitte en roodwitte honden gefokt voor het werk op en rond de boerderij.
Uniformiteit in vachtlengte en -structuur was er niet: de boeren selecteerden hun werkhonden uitsluitend op een functioneel uiterlijk en karakter
Van werkhond naar rashond
Van de voorlopers van de Berner Sennenhond is bekend dat ze voornamelijk in
de buurt van Bern gehouden werden. Ze werden gebruikt als drijfhond bij de kudden
geiten en runderen, als waakhond op de boerenerven en als trekhond voor de melkkar.
In de tweede helft van de 19e eeuw drong de industrialisatie door in Zwitserland. Steeds meer boeren en herders keerden hun oude bestaan de rug toe en trokken naar de steden en grotere plaatsen waar ze onder meer als fabrieksarbeiders in hun onderhoud voorzagen. Vanzelfsprekend was er hierdoor minder werk te verrichten voor de talloze werkhonden en hun aantal nam zienderogen af.
De boeren en herders trokken zich van het lot van deze werkhonden weinig aan, de kynologen uit die tijd evenmin. Ze werden immers 'maar' als doorsnee boerenwerkhond gezien. Typerend is dat Zwitserse rashonden als de Zwitserse Sint Bernard en buitenlandse hondenrassen in die tijd wel op steun konden rekenen.
Dat we vandaag de dat nog Sennenhonden in ons midden hebben, is te danken aan een klein groepje kynologen dat zich destijds het lot van de werkhonden aantrok. Een van hen was de vooraanstaande kynoloog en Newfoundlander-fokker professor dr. Albert Heim. Deze belangrijke voortrekker van het ras zorgde ervoor dat de Berner Sennenhond onder de aandacht kwam van kynologen in Zwiterland.
Dürrbächlers
In begin 1900 werden Berner Sennenhonden, destijds nog 'Dürrbächlers'
geheten, al geregeld op tentoonstellingen gesignaleerd. De rasnaam Dürrbächler
is afgeleid van het kleine Zwitserse dorpje Dürrbäch in het kanton
Bern.
Herbergier Hofman, die daar aan het eide van de 19e eeuw woonde, fokte honden die zowel mooi als veelzijdig waren en al snel werd een hond die daar vandaan kwam of erop leek, een 'Dürrbächler' genoemd.
In 1907 besloten enkele hondenfokkers de Dürrbächler raszuiver te gaan fokken. Ze richtten in hetzelfde jaar de eerste rasvereniging voor Dürrbächlers op: de 'Schweizerischen Dürrbächklub', en stelden een rasstandaard op. Onder aanvoering van Heim werd de rasnaam Berner Sennenhond in 1913 officieel ingevoerd en werd de naam van de rasvereniging veranderd in 'Klub für Berner Sennenhunde'.
Berner Sennenhonden in de 20e eeuw
Tot de jaren '60 van de 20e eeuw was de Berner Sennenhond in landen buiten Zwitserland
een vrij onbekende verschijning en was het fokken en tentoonstellen van dit
ras vooral nationale aangelegenheden. Er werden wel enkele honden geëxporteerd,
maar slechts mondjesmaat. Vanaf die tijd echter werden er honden geëxporteerd
naar verschillende landen in Europa en naar de Verenigde Staten.
De grotere bekendheid van het ras bracht ook een stijgende populairiteit met zich mee en zoals altijd wanneer er te veel vraag is naar een bepaald ras, ging het ook hier mis. Onder druk van de grote vraag werd er met honden gefokt die onder meer qua karakter niet rastypisch waren. Mede door de hoge mate van inteelt met 'verkeerde' honden ging het in de jaren '70 fout. Deze jaren gelden als een historisch dieptepunt in de geschiedenis van het ras.
De grootste problemen werden veroorzaakt door een ongeoorloofd groot percentage dieren, voornamelijk reuen, dat gedragsafwijkingen liet zien, zoals schuwheid, onvoorspelbaarheid en agressiviteit; eigenschappen die een Berner Sennenhond absoluut niet eigen zijn.
Uiteraard had dit een negatieve uitwerking op het hele ras. Door dwingende maatregelen, waaronder een tijdelijk fokverbod en later de invoering van gedragstests voor fokdieren en hun nakomelingen, behoren deze problemen gelukkig tot het verleden.
Toch worden er tot op de dag van vandaag nog steeds gedragstests afgelegd om herhaling te voorkomen.
Door alle inspanningen is het karakter van de Berner Sennenhond nu weer genormaliseerd en is hij weer de betrouwbare, stabiele boerenhond die hij oorspronkelijk was.
Bron: Berner Sennenhond, Esther Verhoef-Verhallen